|
et gebeurde allemaal behoorlijk onverwacht, en ook al ben je
er nooit klaar voor, dit kwam aan als een donderslag bij heldere
hemel. De dag voor mijn moeders overlijden had ik haar nog aan
het lachen gemaakt door de telefoon. Ik ga niet in op de details
die debet zijn aan de overlijdensoorzaak, maar wil een deel
van mijn gedachtengang sinds de gebeurtenis uiteenzetten.
Op de bewuste dag is alles zo hard gegaan dat
mijn broer, mijn vrouw, mijn moeders vriend en ik in een onstuitbare
roller-coaster van gevoelens werden meegesleurd. Er was geen
ontkomen aan het zich voltrekkende drama en mijn wereld werd
binnen enkele uren als een zandloper op zijn kop gezet. Als
een zandloper ook omdat tijd plotseling relatief werd. Voor
ik het wist was de avond alweer bereikt en het enige wat er
van die dag was overgebleven was een reeks heftige indrukken
waarvan ik wist dat ze voor de rest van mijn leven een litteken
in mijn hart zouden graveren, in de vorm van mijn moeders naam.
In de weken die volgden op de gebeurtenis bevond
ik me in een beneveling van ongeloof, verdriet en onmacht. Van
woede was geen sprake, daarvoor was ik te lam geslagen door
het ongekend pijnlijke voorval. Mijn moeder was een aanwezige
persoonlijkheid. Ze bezat een energie die ze uitstraalde naar
de mensen om zich heen en stond daarom op een zekere, door haar
omgeving als een aangename vanzelfsprekendheid aanvaarde wijze
in het middelpunt van de belangstelling. Mijn moeders aanwezigheid
in het leven van een om haar heen gevormd handjevol mensen maakte
het des te abstracter dat zoveel bruisende energie tot een abrupt
einde was gekomen. Dat vormde het begin van mijn heroplevende
gedachtengang over de dood.

Mijn moeder in jongere jaren
Ieder kind wordt vroeg of laat geconfronteerd
met de meest ongrijpbare gebeurtenis in het leven: de dood.
Je ouders proberen je voorzichtig duidelijk te maken dat het
leven niet eindeloos is, dat er een dag zal komen dat je vader
en moeder er niet meer zullen zijn en dat ook jij er op een
dag niet meer zal zijn. Geschokt als een kind doorgaans is door
dit zeer verontrustende nieuws wordt het snel getroost met een
geruststellend vervolg op dat leven in de vorm van één
of andere hemelse voorstelling. Die gedachte voldoet vervolgens
de nodige jaren. Als oma overlijdt, dan troost je jezelf met
het aan je verkondigde verhaaltje dat oma nu geniet van een
kopje thee, gezeten op een voorbijdrijvend wolkje aan een blauwe
hemel. Zo hoort het ... oma heeft haar leven netjes uitgeleefd
en is toe aan haar beloning: de hemel, alwaar gastheer God de
rode loper al voor zijn nieuwe bezoeker heeft uitgerold en de
thee al heeft gezet.
Maar vroeg of laat word je onherroepelijk geconfronteerd
met wat ik noem "de ontgoochelende willekeur van het lot",
als je bijvoorbeeld ter ore komt dat een dronken klootzak in
een veel te hard rijdende auto met één doffe,
botten versplinterende klap een einde heeft gemaakt aan een
mogelijk veelbelovend leven van een onschuldig jong kind. De
gewaarwording die een dergelijk feit veroorzaakt verstoort het
perspectief van een gedurende je jeugd opgebouwde levensverwachting
en doet je beseffen dat de realiteit van zowel leven als dood
hard, koud en willekeurig kan zijn. Het warme beeld van de hemel
loopt dan risico om plaats te maken voor twijfel over en zelfs
afkeer van de dood.
ENERGIE
Na het overlijden van mijn moeder voelde ik vooral een verterende
leegte, die voorheen werd gevuld door de levendige aanwezigheid
van mijn moeder. De kenmerkende levensenergie die zij bezat
ontbrak plotseling. Volgens de natuurkundige wet van behoud
van energie houdt energie niet op te bestaan, zij verplaatst
zich slechts. Ik prefereer de term energie boven een begrip
als "de ziel". Maar hoe je het ook benoemt, iedereen
die ooit iemand heeft zien overlijden kan niet ontkennen dat
er van het ene op het andere moment iets ontbreekt: dat ongrijpbare
element van elk levend wezen dat hem, haar of het de energie
geeft om de biologische samenstelling van vocht en weefsel te
doen "leven". Mary Shelley behandelde deze abstracte
materie al in haar boek Frankenstein, waarin een uit delen van
overleden mensen samengesteld lichaam tot leven wordt gewekt
met behulp van electriciteit. Zet een dood lichaam onder stroom
en de spieren zullen met samentrekkingen reageren op de schokken.
Maar het zal niet weer tot leven komen, tenzij er sprake is
van reanimatie omdat het lichaam nog niet hersendood is. Maar
wat ontbreekt er dan precies in een lichaam na die zogenaamde
hersendood? Wetenschappelijke experimenten bewezen reeds dat
elk mens na het moment van overlijden twintig tot vijftig gram
aan lichaamsgewicht verliest. De nuchterheid gebiedt echter om sceptisch tegenover een dergelijk experiment te staan, aangezien er door spierontspanning, laatste uitademing en dergelijke zaken een lichte gewichtverschuiving kan plaatsvinden. Bovendien zou iets onstoffelijks als pure energie geen meetbaar gewicht hebben.
Als we van het begrip energie
blijven uitgaan, dan moet die energie ergens naartoe zijn verplaatst,
maar waar naartoe? Stroomt het uiteen naar de nog levenden die
het dichtst bij de overledene stonden? Ik ben sinds het overlijden
van mijn moeder veranderd, sterker geworden. Maar is dat door
toedoen van haar energie of puur vanwege het doorstaan van het
verlies? Of stroomt de losgekomen energie wellicht naar delen
van het universum waar de energie is benodigd om het kosmische
evenwicht te bewaren? Bevat elk nieuwgeboren wezen een zekere eenheid toegestroomde energie van een zojuist overleden levensvorm? Het klinkt weliswaar zweverig, maar niemand
kan op dit gebied nog iets bewijzen, dus er is ruimte genoeg
voor uiteenlopende theorieën.
Ironisch genoeg was mijn moeder een nuchter
mens dat erin geloofde dat de dood een absoluut einde betekende.
"Voor mij is de dood als een kaars waarvan het vlammetje
dooft." Ik hoor het haar nog zeggen. Mijn moeder was dan
ook huiverig voor de dood en ontkende stelselmatig haar sterfelijkheid.
Gelukkig hoefde ze niet wekenlang, laat staan maanden- of zelfs
jarenlang op te zien tegen een naderend overlijden door toedoen
van een vastgestelde terminale ziekte, maar is haar dood onverwacht
en snel verlopen. Persoonlijk geloof ik ook niet in de gangbare
verhalen over een leven na de dood. Wetenschappelijk gezien
bezitten dergelijke verhalen een gemeenschappelijke absurde
factor: ze zijn allemaal gebaseerd op zintuiglijke waarnemingen,
en die heb je niet meer nadat je zintuigen met je lichaam zijn
meegestorven. Je kunt geen licht waarnemen en interpreteren
zonder ogen, hersenen en een kloppend hart dat die organen van
het nodige roodkleurige levensvocht voorziet.
DROOM
Maar dualisme wil zich soms wel eens meester
van me maken, want niemand weet in hoeverre het stoffelijke,
kwetsbare, aardse deel, het zwakke vlees dat een leven lang
aan ons kleeft werkelijk nodig is om te zien en te voelen. Ruim
een jaar geleden, niet lang voor het overlijden van mijn moeder,
droomde ik dat ik in de buurt van mijn toenmalige woning over
straat liep, omstreeks dezelfde tijd dat ik het droomde: midden
in de nacht. In de bewuste buurt is het op zich al relatief
rustig qua mensendrukte en 's nachts kom je helemaal geen mens
tegen. Zo was het ook in mijn droom. Ik liep door de met bomen
overgroeide straten, onder de straatlantaarnverlichting door
die de boomkruinen 's nachts een magisch groen lichtschijnsel
geven. Op een gegeven moment begon het me te dagen dat het een
droom moest zijn waarin ik me bevond, maar toch voelde ik me
ondanks het besef dat mijn lichaam op dat moment in bed lag
zeer aanwezig op straat in de buurt van ons huis. Ik bleef in
de droom, maar bedacht dat het mijn geest moest zijn waarmee
ik in de straat aanwezig was. Op dat moment begonnen de boomkruinen
boven me zacht te ruisen en ik voelde de aanwezigheid van andere
geesten om me heen. Ik voelde me niet bang, maar aangetrokken
tot de andere geesten en ik dacht rationeel na over het feit
dat ik zonder fysieke aanwezigheid in staat moest zijn om me
van de grond los te maken en me tussen de geesten in de ruisende
boomkruinen te voegen. Het lukte en ik zweefde omhoog. Het was
een bevrijdend en ecstatisch gevoel om te vliegen en me temidden
van de overige aanwezige geesten op de wind mee te laten drijven
door de boomkruinen in onze buurt. Toen werd ik wakker, waarschijnlijk
door de geestelijke opwinding van de lucide droom.
De neiging kriebelt om de bovenstaande droom
te romantiseren tot een spirituele ervaring zoals een zielsuittreding,
maar als ik echt eerlijk tegen mezelf ben, dan geloof ik dat
het voorgaande niet meer was dan een mooie, realistische illusie
die door mijn eigen onderbewustzijn is opgewekt tijdens de noodzakelijke
nachtelijke verwerking van indrukken, angsten en verlangens.
Het is naar mijn mening niets anders geweest dan een manifestatie
van de capaciteit van het menselijk brein.
Soms fantaseer ik wel eens dat het leven en de dood vergelijkbaar zijn met dag en nacht. Overdag zijn we grotendeels bewust van onze handelingen en gedachten, terwijl we 's nachts worden overgenomen door een onderbewuste staat waarin we capabel zijn om in een fantasievolle, alternatieve belevingswereld de meest ongrijpbare sferen en intense emoties te ervaren. Ik stel me wel eens voor dat het hiernamaals een eindeloze droomstaat behelst, waarvan je tijdens het leven 's nachts al voorproefjes beleeft, als je geest even is gevrijwaard van de dagelijkse rationele gang van zaken en waarbij je stoffelijke lichaam in een zekere schijndood verkeert. Ik zou een dergelijk kleurrijk en gevarieerd hiernamaals veel meer verwelkomen dan eenvoudigweg een wit licht waarin je opgaat of nog teleurstellender: één of ander clichématig traditioneel paradijs volgens de diverse religieuze zienswijzen.
In je persoonlijke eindeloze droom zouden tijd, afstand en natuurwetten te overbruggen zijn, net zoals je in een nachtelijke droom de deur uitstapt en gelijk bent waar je wilde zijn, net zoals je in sommige dromen heerlijk vrij kunt vliegen en net zoals je in je dromen een compleet avontuur kunt beleven in een kwestie van enkele minuten, terwijl het uren leken. Je zou in onstoffelijke vorm door het heelal kunnen vliegen, reizen in de tijd, overledenen ontmoeten en overige zaken die je stoffelijke, aan tijd en natuurwetten gebonden vorm op aarde onmogelijk maken. Bovendien zou er in dit scenario ook een hel mogelijk zijn, in de vorm van een lange of zelfs eindeloze nachtmerrie.
Een interessante invalshoek van leven
na de dood is reïncarnatie. Toch steekt ook bij die theorie
mijn nuchterheid weer de kop op. Wat is immers het nut van een
Sisyphus-achtige kwelling in de vorm van een levenslange vooruitgang
gevolgd door een bijna volledige terugval. Je vergaart tijdens
een leven met het nodige vallen en opstaan kostbare kennis en
wijsheid, om vervolgens dood te gaan en weer nagenoeg opnieuw
te moeten beginnen als een labiele baby die alle beproevingen
des levens weer opnieuw moet doorstaan, zij het wellicht in
een wat gunstigere leefomgeving dan voorheen. Dat zie ik niet
als een beloning, maar als een straf. Ik geloof erin dat tijdens
het leven vergaarde kennis en wijsheid het beste nog tijdens
datzelfde leven kunnen worden overgedragen aan overige levenden,
want tot het tegendeel is bewezen zou de dood zoals mijn moeder
geloofde inderdaad wel eens simpelweg het einde kunnen betekenen.
Voorbij, afgelopen, punt.
Ook al blijkt de dood werkelijk een absoluut
einde van je bestaan, dan is er nog atijd het geruststellende
fenomeen van voortleven in de geest van anderen door de mentale
indruk die je tijdens je leven teweeg brengt. Gedurende je levensloop
maak je met al je kenmerkende karakteruitingen een zekere indruk
op de mensen in je omgeving. Als je er vroeg of laat niet meer
bent, dan zal de essentie van je persoonlijkheid voortbestaan
in de grijze cellen van degenen met wie je hebt gecommuniceerd,
en daarmee heb je op kleine of grote schaal de voortlevende
wereld beïnvloed. Een praktijkvoorbeeld: mijn moeder kon
wel eens gekscherend op een karakteristieke humoristische wijze
met haar armen zwaaiend dansen op vrolijke muziek. Ik denk daar
van tijd tot tijd nog wel eens aan en de visuele herinnering
aan een dergelijk moment tovert dan weer een lach op mijn gezicht.
Op zo'n moment is het enige verschil met toen mijn moeder nog
leefde het ontbreken van haar fysieke aanwezigheid. De indruk
van haar malle gedrag blijft even sterk voortbestaan
als toen ze het gedrag in levenden lijve tentoonstelde. Daarmee
leeft een deel van mijn moeder voort in de neurale verbindingen
die zij tijdens haar fysieke bestaan binnen mijn grijze massa
heeft gevormd. Zelfs ingrijpende beslissingen kunnen nog posthuum
worden beïnvloed door de afweging wat de overledene zou
hebben beslist. De indruk die mijn moeders levenshouding op
me heeft gemaakt stuurt op die manier in zekere mate nog mijn
levensloop en zorgt er daarmee voor dat de essentie van mijn
moeders wezen ondanks haar fysieke afwezigheid voortleeft.
Het is de vraag of de wetenschap ons ooit een
antwoord zal kunnen verschaffen over een mogelijk vervolg op
ons leven nadat ons fysieke bestaan tot een einde is gekomen.
En dan is het natuurlijk nog de vraag of een wetenschappelijk
bewijs betreffende een leven na de dood niet de ultieme desillusie
zal inhouden. Sommige zaken kunnen we wellicht maar beter niet
opvissen uit de zee der onwetendheid.
Metin Seven
www.metinseven.com
www.sevensheaven.nl
www.figurefarm.com

|