Gepubliceerd op de eerste versie van MetinSeven.com in maart 2004
Ten tijde van dit schrijven is het precies een jaar geleden dat de zwartste dag in mijn leven tot nu toe zich voltrok. Een onvermijdelijke dag waarvan ik mezelf graag wijsmaakte dat hij altijd in de toekomst zou blijven en nooit het heden zou bereiken. Toch kwam de dag die mijn leven onaangekondigd ruw in twee delen hakte, in mijn leven van voor die bewuste dag en het leven dat volgde. Op 5 maart 2003 overleed op plotselinge wijze mijn moeder.
Het gebeurde allemaal behoorlijk onverwacht, en ook al ben je er nooit klaar voor, dit kwam aan als een donderslag bij heldere hemel. De dag voor mijn moeders overlijden had ik haar nog aan het lachen gemaakt door de telefoon. Ik ga niet in op de details die debet zijn aan de overlijdensoorzaak, maar wil een deel van mijn gedachtengang sinds de gebeurtenis uiteenzetten.
Op de bewuste dag is alles zo hard gegaan dat mijn broer, mijn vrouw, mijn moeders vriend en ik in een onstuitbare roller-coaster van gevoelens werden meegesleurd. Er was geen ontkomen aan het zich voltrekkende drama en mijn wereld werd binnen enkele uren als een zandloper op zijn kop gezet. Als een zandloper ook omdat tijd plotseling relatief werd. Voor ik het wist was de avond alweer bereikt en het enige wat er van die dag was overgebleven was een reeks heftige indrukken waarvan ik wist dat ze voor de rest van mijn leven een litteken in mijn hart zouden graveren, in de vorm van mijn moeders naam.
In de weken die volgden op de gebeurtenis bevond ik me in een beneveling van ongeloof, verdriet en onmacht. Van woede was geen sprake, daarvoor was ik te lam geslagen door het ongekend pijnlijke voorval. Mijn moeder was een aanwezige persoonlijkheid. Ze bezat een energie die ze uitstraalde naar de mensen om zich heen en stond daarom op een zekere, door haar omgeving als een aangename vanzelfsprekendheid aanvaarde wijze in het middelpunt van de belangstelling. Mijn moeders aanwezigheid in het leven van een om haar heen gevormd handjevol mensen maakte het des te abstracter dat zoveel bruisende energie tot een abrupt einde was gekomen. Dat vormde het begin van mijn heroplevende gedachtengang over de dood.

Mijn moeder in jongere jaren
Ieder kind wordt vroeg of laat geconfronteerd met de meest ongrijpbare gebeurtenis in het leven: de dood. Je ouders proberen je voorzichtig duidelijk te maken dat het leven niet eindeloos is, dat er een dag zal komen dat je vader en moeder er niet meer zullen zijn en dat ook jij er op een dag niet meer zal zijn. Geschokt als een kind doorgaans is door dit zeer verontrustende nieuws wordt het snel getroost met een geruststellend vervolg op dat leven in de vorm van één of andere hemelse voorstelling. Die gedachte voldoet vervolgens de nodige jaren. Als oma overlijdt, dan troost je jezelf met het aan je verkondigde verhaaltje dat oma nu geniet van een kopje thee, gezeten op een voorbijdrijvend wolkje aan een blauwe hemel. Zo hoort het … oma heeft haar leven netjes uitgeleefd en is toe aan haar beloning: de hemel, alwaar gastheer God de rode loper al voor zijn nieuwe bezoeker heeft uitgerold en de thee al heeft gezet.
Maar vroeg of laat word je onherroepelijk geconfronteerd met wat ik noem “de ontgoochelende willekeur van het lot”, als je bijvoorbeeld ter ore komt dat een dronken klootzak in een veel te hard rijdende auto met één doffe, botten versplinterende klap een einde heeft gemaakt aan een mogelijk veelbelovend leven van een onschuldig jong kind. De gewaarwording die een dergelijk feit veroorzaakt verstoort het perspectief van een gedurende je jeugd opgebouwde levensverwachting en doet je beseffen dat de realiteit van zowel leven als dood hard, koud en willekeurig kan zijn. Het warme beeld van de hemel loopt dan risico om plaats te maken voor twijfel over en zelfs afkeer van de dood.
Na het overlijden van mijn moeder voelde ik vooral een verterende leegte, die voorheen werd gevuld door de levendige aanwezigheid van mijn moeder. De kenmerkende levensenergie die zij bezat ontbrak plotseling. Volgens de natuurkundige wet van behoud van energie houdt energie niet op te bestaan, zij verplaatst zich slechts. Ik prefereer de term energie boven een begrip als “de ziel”. Maar hoe je het ook benoemt, iedereen die ooit iemand heeft zien overlijden kan niet ontkennen dat er van het ene op het andere moment iets ontbreekt: dat ongrijpbare element van elk levend wezen dat hem, haar of het de energie geeft om de biologische samenstelling van vocht en weefsel te doen “leven”. Mary Shelley behandelde deze abstracte materie al in haar boek Frankenstein, waarin een uit delen van overleden mensen samengesteld lichaam tot leven wordt gewekt met behulp van electriciteit. Zet een dood lichaam onder stroom en de spieren zullen met samentrekkingen reageren op de schokken. Maar het zal niet weer tot leven komen, tenzij er sprake is van reanimatie omdat het lichaam nog niet hersendood is. Maar wat ontbreekt er dan precies in een lichaam na die zogenaamde hersendood? Wetenschappelijke experimenten bewezen reeds dat elk mens na het moment van overlijden twintig tot vijftig gram aan lichaamsgewicht verliest. De nuchterheid gebiedt echter om sceptisch tegenover een dergelijk experiment te staan, aangezien er door spierontspanning, laatste uitademing en dergelijke zaken een lichte gewichtverschuiving kan plaatsvinden. Bovendien zou iets onstoffelijks als pure energie geen meetbaar gewicht hebben.
Als we van het begrip energie blijven uitgaan, dan moet die energie ergens naartoe zijn verplaatst, maar waar naartoe? Stroomt het uiteen naar de nog levenden die het dichtst bij de overledene stonden? Ik ben sinds het overlijden van mijn moeder veranderd, sterker geworden. Maar is dat door toedoen van haar energie of puur vanwege het doorstaan van het verlies? Of stroomt de losgekomen energie wellicht naar delen van het universum waar de energie is benodigd om het kosmische evenwicht te bewaren? Bevat elk nieuwgeboren wezen een zekere eenheid toegestroomde energie van een zojuist overleden levensvorm? Het klinkt weliswaar zweverig, maar niemand kan op dit gebied nog iets bewijzen, dus er is ruimte genoeg voor uiteenlopende theorieën.
Ironisch genoeg was mijn moeder een nuchter mens die erin geloofde dat de dood een absoluut einde betekende. “Voor mij is de dood als een kaars waarvan het vlammetje dooft.” Ik hoor het haar nog zeggen. Mijn moeder was dan ook huiverig voor de dood en ontkende stelselmatig haar sterfelijkheid. Gelukkig hoefde ze niet wekenlang, laat staan maanden- of zelfs jarenlang op te zien tegen een naderend overlijden door toedoen van een vastgestelde terminale ziekte, maar is haar dood onverwacht en snel verlopen. Persoonlijk geloof ik ook niet in de gangbare verhalen over een leven na de dood. Wetenschappelijk gezien bezitten dergelijke verhalen een gemeenschappelijke absurde factor: ze zijn allemaal gebaseerd op zintuiglijke waarnemingen, en die heb je niet meer nadat je zintuigen met je lichaam zijn meegestorven. Je kunt geen licht waarnemen en interpreteren zonder ogen, hersenen en een kloppend hart dat die organen van het nodige roodkleurige levensvocht voorziet.
Maar dualisme wil zich soms wel eens meester van me maken, want niemand weet in hoeverre het stoffelijke, kwetsbare, aardse deel, het zwakke vlees dat een leven lang aan ons kleeft werkelijk nodig is om te zien en te voelen. Ruim een jaar geleden, niet lang voor het overlijden van mijn moeder, droomde ik dat ik in de buurt van mijn toenmalige woning over straat liep, omstreeks dezelfde tijd dat ik het droomde: midden in de nacht. In de bewuste buurt is het op zich al relatief rustig qua mensendrukte en ’s nachts kom je helemaal geen mens tegen. Zo was het ook in mijn droom. Ik liep door de met bomen overgroeide straten, onder de straatlantaarnverlichting door die de boomkruinen ’s nachts een magisch groen lichtschijnsel geven. Op een gegeven moment begon het me te dagen dat het een droom moest zijn waarin ik me bevond, maar toch voelde ik me ondanks het besef dat mijn lichaam op dat moment in bed lag zeer aanwezig op straat in de buurt van ons huis. Ik bleef in de droom, maar bedacht dat het mijn geest moest zijn waarmee ik in de straat aanwezig was. Op dat moment begonnen de boomkruinen boven me zacht te ruisen en ik voelde de aanwezigheid van andere geesten om me heen. Ik voelde me niet bang, maar aangetrokken tot de andere geesten en ik dacht rationeel na over het feit dat ik zonder fysieke aanwezigheid in staat moest zijn om me van de grond los te maken en me tussen de geesten in de ruisende boomkruinen te voegen. Het lukte en ik zweefde omhoog. Het was een bevrijdend en ecstatisch gevoel om te vliegen en me temidden van de overige aanwezige geesten op de wind mee te laten drijven door de boomkruinen in onze buurt. Toen werd ik wakker, waarschijnlijk van de opwinding door de lucide droom.
De neiging kriebelt om de bovenstaande droom te romantiseren tot een spirituele ervaring zoals een zielsuittreding, maar als ik echt eerlijk tegen mezelf ben, dan geloof ik dat het voorgaande niet meer was dan een mooie, realistische illusie die door mijn eigen onderbewustzijn is opgewekt tijdens de nachtelijke verwerking van indrukken, angsten, fantasieën en verlangens. Het is naar mijn mening niets anders geweest dan een manifestatie van de capaciteit van het menselijk brein.
Soms fantaseer ik wel eens dat het leven en de dood vergelijkbaar zijn met dag en nacht. Overdag zijn we grotendeels bewust van onze handelingen en gedachten, terwijl we ’s nachts worden overgenomen door een onderbewuste staat waarin we capabel zijn om in een fantasievolle, alternatieve belevingswereld de meest ongrijpbare sferen en intense emoties te ervaren. Ik stel me wel eens voor dat het hiernamaals een eindeloze droomstaat behelst, waarvan je tijdens het leven ’s nachts al voorproefjes beleeft, als je geest even is gevrijwaard van de dagelijkse rationele gang van zaken en waarbij je stoffelijke lichaam in een zekere schijndood verkeert. Ik zou een dergelijk kleurrijk en gevarieerd hiernamaals veel meer verwelkomen dan eenvoudigweg een wit licht waarin je opgaat of nog teleurstellender: één of ander clichématig traditioneel paradijs volgens de diverse religieuze zienswijzen.
In je persoonlijke eindeloze droom zouden tijd, afstand en natuurwetten te overbruggen zijn, net zoals je in een nachtelijke droom de deur uitstapt en gelijk bent waar je wilde zijn, net zoals je in sommige dromen heerlijk vrij kunt vliegen en net zoals je in je dromen een compleet avontuur kunt beleven in een kwestie van enkele minuten, terwijl het uren leken. Je zou in onstoffelijke vorm door het heelal kunnen vliegen, reizen in de tijd, overledenen ontmoeten en overige zaken die je stoffelijke, aan tijd en natuurwetten gebonden vorm op aarde onmogelijk maken. Bovendien zou er in dit scenario ook een hel mogelijk zijn, in de vorm van een lange of zelfs eindeloze nachtmerrie.
Dan is er nog het uiterst interessante fenomeen dimensies. Volgens verschillende wetenschappelijke modellen van het universum zouden er meerdere dimensies van realiteit zijn die simultaan bestaan. Dit biedt ruimte voor theorieën dat het einde van een fysiek bestaan in de ene dimensie een overgang zou kunnen initiëren naar een nieuw of vervolgd bestaan in een parallel universum. Als de ‘ziel’ een pure energievorm behelst die zich bij de dood losmaakt van je stoffelijke vorm, dan zou je essentie in die vorm een overbrugging kunnen maken naar een andere dimensie. Er zijn genoeg nog onverklaarde wonderlijkheden in het universum om een dergelijk scenario niet te verwerpen als onmogelijk of zelfs ongeloofwaardig.
Ook een interessante invalshoek van leven na de dood is reïncarnatie. Toch steekt ook bij die theorie mijn nuchterheid weer de kop op. Wat is immers het nut van een Sisyphus-achtige kwelling in de vorm van een levenslange vooruitgang gevolgd door een bijna volledige terugval. Je vergaart tijdens een leven met het nodige vallen en opstaan kostbare kennis en wijsheid, om vervolgens dood te gaan en weer nagenoeg opnieuw te moeten beginnen als een labiele baby die alle beproevingen des levens weer opnieuw moet doorstaan, zij het wellicht in een wat gunstigere leefomgeving dan voorheen. Dat zie ik niet als een beloning, maar als een straf. Ik geloof erin dat tijdens het leven vergaarde kennis en wijsheid het beste nog tijdens datzelfde leven kunnen worden overgedragen aan overige levenden, want tot het tegendeel is bewezen zou de dood zoals mijn moeder geloofde inderdaad wel eens simpelweg het einde kunnen betekenen. Voorbij, afgelopen, punt.
Ondanks alle romantische fantasieën en theorieën over een mogelijk voortbestaan na de dood blijft de nuchterheid me steeds weer met beide benen op de grond zetten. Kijkend naar hoe vorderende ouderdom de mens onteert door een biologische decompositie van het lichaam, hoe vallende steekjes in de voortdurende wederopbouw van onze celstructuur ons doen aftakelen tot er uiteindelijk slechts een apathische schim van onze eens trotse persoonlijkheid overblijft, kan ik me amper voorstellen dat ons iets anders wacht dan simpelweg een verlossing van die staat in de vorm van eeuwige rust.
Ook al blijkt de dood werkelijk een absoluut einde van je bestaan, dan is er nog atijd het geruststellende fenomeen van voortleven in de geest van anderen door de mentale indruk die je tijdens je leven teweeg brengt. Gedurende je levensloop maak je met al je kenmerkende karakteruitingen een zekere indruk op de mensen in je omgeving. Als je er vroeg of laat niet meer bent, dan zal de essentie van je persoonlijkheid voortbestaan in de grijze cellen van degenen met wie je hebt gecommuniceerd, en daarmee heb je op kleine of grote schaal de voortlevende wereld beïnvloed. Een praktijkvoorbeeld: mijn moeder kon wel eens gekscherend op een karakteristieke humoristische wijze met haar armen zwaaiend dansen op vrolijke muziek. Ik denk daar van tijd tot tijd nog wel eens aan en de visuele herinnering aan een dergelijk moment tovert dan weer een lach op mijn gezicht. Op zo’n moment is het enige verschil met toen mijn moeder nog leefde het ontbreken van haar fysieke aanwezigheid. De indruk van haar malle gedrag blijft even sterk voortbestaan als toen ze het gedrag in levenden lijve tentoonstelde. Daarmee leeft een deel van mijn moeder voort in de neurale verbindingen die zij tijdens haar fysieke bestaan binnen mijn grijze massa heeft gevormd. Zelfs ingrijpende beslissingen kunnen nog posthuum worden beïnvloed door de afweging wat de overledene zou hebben beslist. De indruk die mijn moeders levenshouding op me heeft gemaakt stuurt op die manier in zekere mate nog mijn levensloop en zorgt er daarmee voor dat de essentie van mijn moeders wezen ondanks haar fysieke afwezigheid voortleeft.
Het is de vraag of de wetenschap ons ooit een antwoord zal kunnen verschaffen over een mogelijk vervolg op het leven nadat ons fysieke bestaan tot een einde is gekomen. En dan is het natuurlijk nog de vraag of een wetenschappelijk bewijs betreffende een leven na de dood niet de ultieme desillusie zal inhouden. Sommige zaken kunnen we wellicht maar beter niet opvissen uit de zee der onwetendheid.
“Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt er altijd een weg omheen.
Misschien eens gevuld van sneeuw en regen,
neemt de rivier mijn kiezel mee.
Om hem dan glad en rond gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.
Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
ik leverde ‘t bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.
Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
ik leverde ‘t bewijs van mijn bestaan
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
het water nooit dezelfde weg zal gaan.”
- Bram Vermeulen (1946-2004), De Steen
Mar 05
This entry was posted on Friday, March 5th, 2004 at 10:30 amand is filed under Persoonlijk. You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. Responses are currently closed, but you can trackback from your own site.| M | T | W | T | F | S | S |
|---|---|---|---|---|---|---|
| « Jul | ||||||
| 1 | 2 | |||||
| 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |
| 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 |
| 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 |
| 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 |
4 Comments Leven na de dood
Herreman E.
1Geachte,
Met jou uiteenzetting dat ik heb gelezen wil ik je het volgende vertellen. Ik persoonlijk geloof niet meer, of er een leven naar de dood is, ik ben het zeker.
Op een dag 7 jaar terug reed ik met mijn wagen in de leie te kortrijk (belgie) Ik zat door getuigen 15 minuten onder water toen ik werd boven gehaald. Ik zelf weet dat ik water in mijn longen kreeg tot ik verdronk. Op dit ogenblik van mijn verdringking, stond ik als boven op een brug, en zag de duikers mijn lichaam uit het water halen.
Ik stond daar als een soort geest vol van licht, ik zag dwars door alle mensen geen die op die zelfde brug stonden toe te kijken. Ik had een warm zalig gevoel. Maar mijn tijd was er nog niet. Opeens werd ik naar mijn lichaam terug gezogen in vlugge snelheid. Ik kwam dan weer tot mezelf, terwijl de dienst 100 en de mug aan mij waren aan t’werken. Ik weet dat ik niet alleen ben met zulke ervaringen. Veel troost verder.
October 25th, 2007 at 12:27 pm
admin
2Hartelijk dank voor het delen van je ervaring en mening, Herreman.
Ik respecteer alle inzichten, doch ben altijd geneigd om een dergelijke ervaring ook vanuit een wetenschappelijk oogpunt te benaderen. Door de bewusteloze toestand van je lichaam wordt mijns inziens het onderbewuste mechanisme van je hersenen geactiveerd, oftewel hetzelfde gebied waardoor je nachtelijke dromen worden opgewekt. Doordat in die staat je logica niet werkt, vult je brein de gang van zaken in als een droom. Het brein is tenslotte ook in staat om je ’s nachts de illusie van uittreding te geven, dus ook op zo’n moment. Een dergelijke gerustellende onderbewuste ervaring die door je hersenen wordt opgewekt zal naar mijn mening simpelweg stoppen als er geen activiteit in de hersenen meer is na een definitieve hersendood.
Maar het bewijs of mijn stelling klopt zullen we pas merken of niet merken als onze tijd echt is gekomen.
October 25th, 2007 at 1:24 pm
evelien
3ongeveer een half uur na het overlijden van mijn broer heb ik nog contact met hem gehad. ik was alleen met zijn lichaam en nam afscheid van hem door mijn hand op zijn borst te leggen en met hem te praten. op dat moment keek ik vanuit een andere ruimte naar zijn lichaam voelde zijn aanwezigheid ãlsof we naast elkaar stonden en we waren veel groter dan de kamer waarin hij lag. het contact was dus niet visueel maar meer een indruk die niet van mij was maar werd achtergelaten bij mij. alsof ik door zijn ogen mocht kijken hoe hij het moment ‘zag’ hij was wel degelijk aanwezig ook de klok van het station aan het einde van de straat waar hij woonde en welke hij zo mooi stond stond levensgroot voor het raam! mijn broer woonde 3 hoog! ik weet dat het raar klinkt, maar een half uur voor zijn overlijden was ik nog thuis en zat op het toilet, op het moment dat ik daarvan opstond voelde ik met opstaan tegelijkertijd een enorme energie van intense liefde door mij heen gaan.vanuit mijn tenen omhoog. ik dacht nog dat ik niet zo bijzonder ben en of ik het niet een beetje te hoog in mijn kop kreeg! dit was zijn moment van overlijden hij ging letterlijk en figuurlijk door mij heen en wat ik voelde was zijn liefde voor mij. op dat moment wist ik dat hij was overleden heb direct gebeld, het klopte. mijn broer was terminaal ziek. ook daarna heb ik nog talloze heldere momenten beleeft en een indruk gekregen en gevoeld waar ik zelf totaal buiten stond, welke niet van mij waren en waar ik geen controle over heb.ook in dromen hoewel ik niet zeker weet of deze ‘persoon’in mijn dromen mijn broer was. wat ik wel weet is dat er enorm veel liefde overblijft en dat je er op moet vertrouwen dat die zal blijven bestaan! veel geluk! ik heb jouw stuk met veel ontroering gelezen thnx
November 25th, 2007 at 10:34 pm
admin
4Hartelijk dank voor je persoonlijke ervaring Evelien, zeer interessant om te lezen.
November 25th, 2007 at 10:39 pm
RSS feed for comments on this post · TrackBack URI